Voor ons pensioenfonds ABP is het jaar van de waarheid aangebroken. Per 1 januari 2027 gaat ook ABP over op het nieuwe pensioenstelsel. Pensioen is iets waar we eigenlijk allemaal eenmaal per week mee te maken hebben: we werken per slot van rekening één dag in de week voor ons pensioen. Maar vaak staan we pas écht stil bij ons pensioen als er iets belangrijks verandert. Bijvoorbeeld de te bereiken hoogte van het pensioen of – zoals nu – een complete stelselherziening.

Met de Wet toekomst pensioenen (Wtp) staat er een ingrijpende hervorming voor de deur: het oude stelsel van een toegezegd pensioen ‘met garantiecertificaat’ verdwijnt en maakt plaats voor persoonlijke premieregelingen, waarbij de uiteindelijke hoogte van het pensioen afhankelijk is van premie, rendement en levensverwachting.
Wat betekent dit nu concreet voor u? Welke keuzes liggen al vast in wettelijke kaders door de politiek, en wat mag nog nader worden ingevuld door sociale partners1 en ABP? Hoe is uw vertegenwoordiging (politiek of vakbond) bij die besluiten betrokken, en welke mogelijkheden van inspraak bestaan nog?
In dit artikel wordt u stap voor stap meegenomen: van de politieke keuzes over het nieuwe pensioencontract, via de nadere invulling ín de Pensioenkamer richting de uitvoering door het ABP-bestuur samen met het Verantwoordingsorgaan. Tot slot wordt aandacht besteed aan de juridische routes die openstaan voor wie het ergens niet mee eens is. Zo krijgt u – overigens zonder een evaluatie van het nieuwe stelsel – een helder beeld van de totstandkoming van de Wtp en de uitwerking daarvan: waar welke partijen invloed konden uitoefenen en waar uw rechten liggen als deelnemer of gepensioneerde.
Alvorens de uitwerking volgt, wordt eerst kort het waarom uiteen van deze stelselwijziging uiteen gezet.
Waarom moest het pensioenstelsel op de schop?
Kort na de financiële crisis van 2008 kwam de regering tot de conclusie dat het bestaande pensioenstelsel steeds moeilijker houdbaar werd. Het oude stelsel ging uit van een jaarlijks toegezegd2 pensioen, terwijl door de financiële crisis in de praktijk steeds minder zekerheid bestond over de financiering daarvan. Door een structureel lage rente, een stijgende levensverwachting en grote schommelingen op de financiële markten kwamen pensioenen onder druk te staan.
Het bestaande financiële toetsingskader leidde tot lage dekkingsgraden door de rentestand als dominante factor. Daardoor bleef indexatie jarenlang uit. Tegelijkertijd vond men dat de doorsneesystematiek, waarbij iedereen voor dezelfde premie dezelfde pensioenopbouw krijgt, steeds minder goed paste bij de veranderde arbeidsmarkt. Mensen veranderden daarin steeds vaker tussen werk mét en zonder verplichte pensioenopbouw.
Met de Wtp beoogt de wetgever een stelsel dat transparanter is over de relatie tussen premie en pensioen, financieel robuuster is en waarin risico’s en rendementen sneller en evenwichtiger worden verdeeld tussen generaties. Daarmee verschuift het accent van (veronderstelde) vaste beloften naar een pensioen dat meebeweegt met de economische realiteit, maar wel binnen collectieve kaders.
De politieke spelregels en de invloed van de sociale partners
Met de Wtp heeft de politiek een aantal fundamentele keuzes wettelijk vastgelegd. Deze keuzes vormen het onwrikbare vertrekpunt voor zowel sociale partners als pensioenfondsen. De belangrijkste passeren hier de revue: geen (‘gegarandeerd’) toegezegd pensioen meer, het verdwijnen van de doorsneesystematiek, grenzen aan solidariteit, overgangsnormen (invaren) en verantwoordelijkheden van sociale partners.
De kern is dat er geen toegezegd pensioen meer is en dat iedereen overstapt op een stelsel waarin de premie en het daarop behaalde beleggingsrendement centraal staan. Er is keuze uit drie soorten premieovereenkomsten waaruit persoonlijke pensioenopbouw met individuele pensioenvermogens plaatsvindt. De gedachte is dat dit een koopkrachtiger pensioen oplevert, omdat aanmerkelijk minder buffers nodig zijn. Het beschikbare vermogen komt volledig ten goede aan de pensioenuitkering.
Het verdwijnen van buffers leidt wel tot een verschuiving van drie risico’s van ABP naar de deelnemer:
- het beleggingsrisico: pensioenen bewegen sterker mee met economische ontwikkelingen omdat vanwege kleinere buffers positieve of negatieve rendementen sneller doorwerken;
- het renterisico: bij het omzetten van vermogen in een uitkering blijft de rentestand van invloed op de hoogte van het pensioen en
- het langlevenrisico: als we steeds ouder worden, leidt dit bij gelijkblijvende premie en rendement tot een lager jaarlijks pensioen.

Het systeem van doorsneepremie waarbij iedereen dezelfde pensioenpremie betaalt, stopt. In dat oude systeem betaalden jongeren en ouderen evenveel voor hun pensioen, terwijl geld dat door jongeren vroeg wordt ingelegd langer kan groeien door beleggingen.
Dat pakt ongunstig uit voor mensen die later in hun loopbaan stoppen met deelnemen aan ABP, bijvoorbeeld omdat zij zelfstandige worden. Zij hebben in het begin eigenlijk te veel premie betaald. Omgekeerd profiteren mensen die pas op latere leeftijd in loondienst komen en dan verplicht pensioen gaan opbouwen: zij betalen relatief te weinig voor wat zij aan pensioen krijgen.
Solidariteit in het stelsel blijft mogelijk, maar binnen grenzen. Risico’s mogen gezamenlijk worden gedeeld, onder meer via een solidariteitsreserve en via collectieve schokdemping bij tegenvallende of meevallende rendementen. Deze rendementsschokken (positief of negatief) mogen vertraagd worden doorgegeven aan deelnemers en gepensioneerden. Die solidariteit moet echter vooraf doelgebonden en transparant vastgelegd zijn. Zonder deze beperkingen zouden anders opnieuw grote financiële buffers ontstaan.
Daarnaast heeft de wetgever de overgangsregels vastgelegd in de Wtp. Het invaren van bestaande pensioenrechten is niet verplicht, maar wordt uitdrukkelijk mogelijk gemaakt als onderdeel van de transitie. De wet bepaalt dat deelnemers en gepensioneerden geen individueel instemmingsrecht hebben en geen bezwaar kunnen maken tegen het invaren als zodanig. De wetgever acht het wenselijk dat alle pensioenaanspraken collectief bij elkaar blijven en dat daar collectief over wordt besloten.
Volgens de regering zou niet-invaren bovendien ‘nadelige gevolgen hebben die niet in uw belang zijn’ en zouden deelnemers ‘niet in staat zijn de gevolgen van wel of niet invaren goed te overzien’. In plaats van een individueel instemmings- of bezwaarrecht geldt daarom de eis dat de overgang evenwichtig moet zijn. De belangen van verschillende groepen moeten zorgvuldig en uitlegbaar worden afgewogen. Ook verlangt de wet een interne klachtenprocedure en aansluiting bij een externe geschilleninstantie. Daarover later meer.
Sociale partners speelden bij deze politieke keuzes een duidelijke, maar ook begrensde rol. De hoofdlijnen zijn uiteindelijk vastgelegd in het Pensioenakkoord (2019): een ‘polderoplossing’ waarin niemand exact kreeg wat hij wilde, maar die wel breed werd gedragen. In de zomer van 2020 heeft de Vakcentrale voor Professionals (VCP), waar de CMHF onder valt, na een ledenpeiling besloten geen ‘ja’ maar ook geen ‘nee’ te zeggen tegen het geheel van resultaten dat op dat moment op tafel lag. Vooral de wijze van compensatie voor het afschaffen van de doorsneepremie was daarbij een leidend thema. Mede door deze positieve, maar kennelijk te kritische houding is de VCP toen enkele maanden niet uitgenodigd voor overleg over de verdere uitwerking. Partijen die de uitwerking wel volledig steunden, bleven welkom aan de overlegtafel. Ondanks een parlementaire lobby voorafgaande aan het Kamerdebat kreeg de VCP voor haar compensatievoorstel de handen niet op elkaar.
Dat akkoord en de uitwerking daarvan vormde de basis voor wetgeving die na consultatie door het parlement is vastgesteld. Vanaf dat moment waren deze keuzes niet langer onderhandelbaar: zij liggen vast in de Pensioenwet (per 1 juli 2023).
De partij NSC heeft in 2025 nog voorgesteld om deelnemers via een referendum meer invloed te geven op het invaarbesluit. Ook dit voorstel heeft het parlement niet kunnen overtuigen tot een wetswijziging.
Wel kwamen sociale partners in 2024 opnieuw aan zet voor het opstellen van een transitieplan, samen met ABP in de Pensioenkamer3. Daarin moesten onder meer keuzes worden gemaakt over het type regeling, de premie en de verdeling van risico’s. ABP is vervolgens verantwoordelijk voor de belangenafweging, het invaarbesluit en de uitvoering.
Van wet naar uitvoering: het transitieplan voor ABP onder de loep
De Wtp schrijft voor dat een transitieplan wordt opgesteld. Voor ABP vormt dit plan de schakel tussen de wettelijke kaders van de Wtp en de feitelijke uitvoering van het nieuwe pensioenstelsel per 1 januari 2027. In dit plan hebben de sociale partners in de Pensioenkamer vastgelegd hoe de bestaande ABP-pensioenregeling wordt omgevormd naar een nieuwe persoonsgebonden premieregeling.
Er is gekozen voor een solidaire premieregeling. Deze keuze maakt collectief beleggen en risicodeling tussen generaties mogelijk zodat schommelingen in ingegane uitkeringen zoveel mogelijk worden beperkt. Het pensioendoel en de premies blijven grotendeels gelijk aan de huidige regeling. De ambitie blijft om inclusief AOW 80% van het gemiddelde loon over 43 deelnemersjaren te bereiken.
In het transitieplan zijn doelen vastgelegd voor de solidariteitsreserve, zoals het beperken van verlagingen van uitkeringen en het delen van het langlevenrisico. Daarnaast zijn bij verschillende dekkingsgraden keuzes gemaakt over compensatie voor het afschaffen van de doorsneepremie, tegemoetkomingen voor de opgelopen indexatieachterstand en het verhogen van huidige en toekomstige pensioenen. Ook zijn principes geformuleerd om te toetsen of de belangen van verschillende groepen evenwichtig zijn behandeld.

Uiteindelijk leidde dit tot een voorstel tot invaren, omdat dit de uitvoering van de solidaire regeling vergemakkelijkt. Er ontstaat dan één regeling met één toezichtkader en een deel van het beschikbare vermogen kan worden ingezet voor een evenwichtige transitie.
Het transitieplan is opgesteld in samenwerking met ABP en voorgelegd aan de achterbannen van de vakbonden. Via een hoorrecht is ook aandacht besteed aan de opvattingen van gepensioneerden. De bij de CMHF aangesloten verenigingen hebben in de loop van 2024 na enkele voorlichtingsrondes door de CMHF, een ledenpeiling gehouden. De definitieve versie is vervolgens door de Pensioenkamer ter beoordeling voorgelegd aan het bestuur van ABP, met het oog op uitvoerbaarheid.
Aan de knoppen en aan de bel: ABP-bestuur en Verantwoordingsorgaan aan zet
Nadat sociale partners de hoofdlijnen van de overgang hebben vastgelegd in het transitieplan, verschuift het zwaartepunt van de besluitvorming naar ABP zelf. In deze fase gaat het niet langer om onderhandelen en besluiten, maar om besturen, uitvoeren en verantwoorden.

Het fondsbestuur van ABP zit hierbij aan de knoppen. Het neemt het formele besluit om al dan niet in te varen en is verantwoordelijk voor de technische inrichting van de nieuwe pensioenregeling. Daaronder valt ook de omzetting van bestaande rechten naar persoonlijke vermogens en het nieuwe beleggings- en risicobeleid. Voor gepensioneerden zal bijvoorbeeld minder risicovol worden belegd dan voor jongeren.
Het bestuur moet aantoonbaar toetsen of zijn besluiten evenwichtig uitpakken voor alle groepen: actieven, slapers en gepensioneerden. Deze evenwichtigheidstoets is geen formaliteit, maar raakt direct aan de zorgplicht van het bestuur.
Het Verantwoordingsorgaan (VO) staat in deze fase aan de bel. Het VO heeft geen beslissingsmacht, maar wel een advies- en oordeelrecht. Het beoordeelt of het bestuur zorgvuldig, transparant en evenwichtig handelt. Met name bij het invaarbesluit speelt het oordeel van het VO een belangrijke rol in de legitimatie van het bestuurshandelen. Een genegeerd negatief oordeel kan een voedingsbodem vormen voor een juridisch geschil.
Vakbonden en deelnemers zijn vertegenwoordigd in zowel het ABP-bestuur als het VO. In het bestuur is de CMHF via de onlangs opnieuw bezette werknemerszetels vertegenwoordigd in het niet-uitvoerende deel. In het VO zijn gepensioneerden, werkgevers en deelnemers vertegenwoordigd. De deelnemerszetels zijn gevuld via verkiezingen waarbij per vakcentrale de pensioendeelnemers bij ABP kunnen stemmen op hun op een stemmingslijst voorkomende voorkeurskandidaat. Bij een verschil van inzicht met het VO kan het bestuur zijn besluit doorzetten, maar moet het dit gemotiveerd toelichten. Juridisch heeft het VO geen vetorecht; de invloed van het VO kent dus grenzen.
Van inspraak naar rechtsgang: wat kan nog wél, en wat niet?
De invoering van het nieuwe pensioenstelsel verandert de individuele rechtsbescherming, maar doet deze niet verdwijnen. De politieke keuze voor het stelsel ligt vast in de wet – waaronder het verdwijnen van het individuele instemmingsrecht bij invaren – en kan niet meer worden aangevochten. Dat geldt in beginsel ook voor de inhoud van het transitieplan. Dit neemt echter niet weg dat de manier waarop een pensioenfonds deze keuzes uitvoert in individuele gevallen juridisch toetsbaar blijft.

Het bestuur van ABP moet bij algemene besluiten een zorgvuldige belangenafweging maken via de evenwichtigheidstoets. Wanneer bepaalde groepen nadeel ondervinden, moet het bestuur inzichtelijk motiveren waarom dit gerechtvaardigd is en welke compenserende maatregelen zijn getroffen. Het oordeel van het VO weegt hierbij zwaar. Het negeren van een kritisch oordeel kan de juridische positie van het bestuur verzwakken in een geschillenprocedure.
Als bij de uitvoering iets onzorgvuldig of onevenwichtig verloopt, of als iets onjuist wordt toegepast of berekend (de pensioenpotjes), kan een juridisch geschil ontstaan. Voor individuen loopt de rechtsbescherming via een vaste route: eerst de interne klachtenprocedure van ABP, vervolgens zo nodig de Geschilleninstantie Pensioenfondsen en uiteindelijk de civiele rechter. Deze procedures zien altijd op concrete besluiten en hun toepassing in individuele gevallen, niet op de stelselkeuze of het collectieve invaarbesluit zelf.
Op sociale media wordt vaak betoogd dat invaren zonder individuele instemming het (Europese) eigendomsrecht zou schenden. Zonder hier uitgebreid op in te gaan, is het relevant op te merken dat gezaghebbende wetenschappers, zoals prof. dr. E. Lutjens en dr. H. van Meerten, hierover tegengesteld oordelen. Ook liepen enkele rechtszaken over inzicht in pensioenberekeningen al schipbreuk omdat de rechters van mening waren dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming waarop men zich baseerde, hiervoor niet bedoeld is.
Bij de rechtsgang is het belangrijk onderscheid te maken tussen pensioenrecht -zoals hiervoor beschreven- en verenigingsrecht. Wie het oneens is met de opstelling of besluitvorming van zijn vakbond of belangenvereniging, kan daarvoor geen pensioenrechtelijke procedure starten. In dat geval resteert de verenigingsrechtelijke weg, vaak via een interne bezwaar- of klachtenprocedure, voordat de civiele rechter kan worden benaderd. Daarbij draait het om vragen als: is de achterban voldoende geraadpleegd, is de zorgplicht geschonden, of is een stemadvies gebaseerd op misleidende informatie?
Tot slot
U heeft kunnen lezen dat de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel het resultaat is van een lange keten van onderhandelingen en keuzes: eerst politiek, daarna ingevuld door sociale partners en uiteindelijk uitgevoerd door het pensioenfondsbestuur onder toezicht van het Verantwoordingsorgaan waarin, – net als in het bestuur – sociale partners zijn vertegenwoordigd.
Voor deelnemers en gepensioneerden is de invloed van (veronderstelde) harde garanties op een (nominaal) pensioen verschoven naar betrokkenheid (ledenpeilingen en hoorrecht), transparantie over gemaakte keuzes en toetsing van zorgvuldigheid bij uitvoeringsbesluiten. Het nieuwe stelsel kent minder zekerheden, maar laat het individu niet geheel rechteloos achter. Juist daarom blijft kritische betrokkenheid van leden en hun vertegenwoordigers essentieel: niet achteraf, maar gedurende het hele proces van besluitvorming en uitvoering.